Koninkrijk van priesters, uitnodiging tot een nieuwe dynamiek

26 juni 2015

Sitz im Leben

Elke keuze voor een onderwerp heeft een ‘Sitz im Leben’, een concrete aanleiding. Voor mijn thema van vanmiddag lag een belangrijke aanleiding in een groepsinterview dat een onderzoeker van het instituut KASKI in 2010 hield met een zgn. focusgroep in het kader van een achterban-onderzoek voor de TU. Het was in een zaal van de Boogkerk in Amersfoort-Hoogland.

Wat ik hoorde gebeuren was een tweedeling in de groep: mensen (doorgaans boven de 40) die leven in de kerk en vandaar participeren in de samenleving en mensen (doorgaans onder de 40) die leven in de samenleving en vandaar participeren in een kerk (lokale gemeente). Ik realiseerde me ineens dat zich kennelijk een kanteling aan het voltrekken is in onze achterban, waarbij de uitgangspositie van christenen niet meer in de kerk, maar in het gewone leven ligt. Terwijl je niet kunt zeggen dat jongere kerkleden minder gelovig betrokken en actief zijn. Ze hebben juist ook heel veel in te brengen, veel potentie, denkkracht, vermogen om als christenen iets te betekenen, intern en naar buiten toe. Ook in hún leven kan het oude concept van het profeet, priester en koning zijn (het ambt van alle gelovigen) krachtig zijn. Maar als de kanteling betekent dat je persoonlijke en je professionele leven van alledag en het leven in je kerkelijke gemeente twee werelden worden die elkaar maar af en toe raken, dan hebben we wel een probleem!

Sinds die avond in de Boogkerk staat er bij mij een zoekopdracht aan: wat gebeurt hier? En hoe moet je het duiden en verdisconteren? De kerken mogen immers verwachten dat wij hier in Kampen niet in de achterhoede theologiseren, maar gevoelig zijn voor hoe zich de dingen naar de toekomst toe ontwikkelen.

Verder nadenkend en studerend kwam ik tot twee observaties/stellingen: 1. De gemeente, als verzameling leden met hun eigen geloof en praktijk, is in de gereformeerde ecclesiologie (kerktheorie) onvoldoende een eigen entiteit. 2. En samenhangend daarmee: het gewone, seculiere leven wordt onvoldoende binnengebracht in de normale kerkelijke praktijken; het heeft daar te weinig een substantiële plek. Ik zie dat als twee samenhangende zwakke plekken: in onze visie, onze ‘kerktheorie’, en ook in de praktijk van ons kerk-zijn. Laten we die eens in kaart brengen en mogelijkheden tot versterking ervan zoeken.

De ene zwakke plek

De gemeente is in de praktijk een verzameling christenen die – lokaal georganiseerd - door ambtsdragers, vooral door predikanten, geleid en bediend worden. Voor de gemeente wordt soms wel het concept ‘ambt van alle gelovigen’ gehanteerd. We hebben zelfs in zondag 12 antw. 32 van de Heidelbergse Catechismus een prachtig model van het drievoudig ambt van profeet, priester en koning, dat de christen in navolging van de Here Christus bekleedt. Maar in de ecclesiologie (kerktheorie) krijgt dat nauwelijks handen en voeten. Je realiseert het algemeen priesterschap voor een groot deel individueel, het heeft geen eigen structurering en het is niet een wezenlijke en constitutieve helft van christelijk kerk-zijn.Welke taken, welke bronnen, welke forums, welke coöperaties hier aan verbonden zijn, daarover bestaat weinig helderheid. Er is voor de ambten een uitgebreide en redelijk uitgekristalliseerde ambtstheologie, maar voor de gemeente is dat veel diffuser.

Dat laat zich illustreren aan de hand van enkele recente protestantse handboeken systematische theologie. In de Christelijke dogmatiek  (2012) van Van den Brink en Van der Kooi is in hoofdstuk 14 (Kerk – Sacrament – Ambt)  wel een verwijzing naar 1 Petr. 2 opgenomen, maar de genademiddelen domineren het beeld en zo dus ook de kerkdiensten, de ambten, de verkondiging en de sacramenten. Worden er andere praktijken genoemd (535), dan zijn het de zgn. mediale structuren van gesprek, ambt, pastoraat, diaconaat, gebed en voorbede, onderlinge liefde en dergelijke vrijwel geheel binnenkerkelijke dingen. En de verhouding van kerk en koninkrijk wordt vooral met behulp van de drie ambtsmodellen (episcopaal, congregationalistisch en presbyteriaal) besproken. Een substantieel eigen domein wordt hier aan het koninklijk priestergilde van God in de ecclesiologie niet gegeven.

De brede ecclesiologie van Van de Beek in zijn boek Lichaam en Geest van Christus (2012, bijna 400 pagina’s) brengt wel even het algemeen priesterschap van alle gelovigen ter sprake. Maar hij knoopt daar vooral de toepassing aan vast dat dit priesterschap niet tegen het ambt moet worden uitgespeeld. De metafoor van het priesterschap verschuift vervolgens bij hem direct weer naar het lichaams-beeld: de gelovigen zijn allemaal leden van het lichaam van Christus. En dat is het dan wel ongeveer: zij figureren [citaat] ‘als een talrijke schare van anonieme [!] bidders en getuigen’.

Een wat ander geluid geeft wel Miroslav Volf met zijn trinitarische ecclesiologie After our likeness (1998). Interessant is (in het hoofdstuk over structuren van de kerk) zijn betoog (224-228) dat de kerk niet één subject is, maar een gemeenschap van interdependente subjecten. Hij legt er nadruk op dat de roeping tot het geloof voor allen dezelfde is. En dat de charismata heel verschillend zijn. Daarom is het leven van de gemeente niet geordend rondom de ambtsdragers. De Geest constitueert de kerk óók door elk lid. Allen hebben de taak van de bemiddeling van het heil. Dus ook alles wat ‘leken’ doen is constitutief voor de kerk. Maar een verdere uitwerking ontbreekt. Het blijft algemeen, en dat is ook in allerlei andere standaardwerken het geval.

Na deze korte systematisch-theologische peiling komt de vraag boven: hoe zit het dan historisch-theologisch?

Al in de oude kerk vinden we het concept van het drievoudig ambt van priester, koning en profeet. Hiëronymus laat al uitdrukkelijk uit de doop het priesterschap van alle christenen opkomen. Bij Chrysostomus en Augustinus vinden we vergelijkbare gedachten. In vervolg daarop ontwikkelde men het vormsel (de confirmatie) als een apart sacrament: de zalving met heilige olie op het voorhoofd op ongeveer 6-jarige leeftijd als teken van het ontvangen van de Heilige Geest, een ritueel van installatie in de positie van geroepen christen.

Maar in de Middeleeuwse kerk werd de actieradius van deze algemene ‘priesterwijding’ beperkt gehouden tot de eigen levenskring en levenswandel, met daarbij het getuigenis naar de heidenen toe. Er voltrok zich een enorme sacralisering en clericalisering van de kerk, met een monopoliepositie van de geestelijken en een hiërarchie die de ‘leken’ in verregaande mate afhankelijk en onderworpen maakte.

Tegen die achtergrond schreef Luther zijn extreem geformuleerde uitspraken als het bekende adagium: “ieder die door de doop is heengekropen, die is een priester en bisschop en paus”. Weg dus met de alles overheersende clerus. Een nieuwe kerk moest er komen waarin de toegang tot God en de vrijheid in het lezen en toepassen van de Schriften er voor iedereen zou zijn. Er kwam qua verkondiging en leer inderdaad een grondige vernieuwing van de kerk. Toch bleef het basispatroon geestelijkheid – leken in gematigde vorm bestaan.

Calvijn vroeg eveneens aandacht voor het priesterschap van alle gelovigen. Kenmerkend was in zijn theologie de nadruk op de roeping (vocatio) van de christenen in heel hun leven. In zijn ecclesiologische vormgeving ging hij veel verder dan Luther en Melanchton door kerk en overheid principieel te scheiden en door de ambten van oudsten en diakenen te creëren, mannen uit het volk die als leken-ambtsdragers mee het functioneren van de kerk gingen dragen en bepalen. Maar als puntje bij paaltje komt wordt ook het calvinistische kerk-concept in hoge mate door de ambten en de genademiddelen gedomineerd. Het ambt is actief en de gemeente is receptief, dat is in hoofdzaak het beeld.

Alternatieve ecclesiologieën met een grotere nadruk op het priesterschap van alle gelovigen waren er wel in de 16e en 17e eeuw. De Wederdopers (vanaf 1525) en latere Mennonieten (vanaf 1560), de Baptisten (vanaf 1609) en latere Congregationalisten (vanaf 1620) propageerden een grotere geestelijke rol voor de individuele gelovige. Ze beschouwden bv. de gemeentevergadering als laatste beslissende instantie in de kerk in plaats van een kerkenraad of oudstenraad. Maar deze modellen hadden tot de 20e eeuw toe (althans in Europa) maar een beperkte verspreiding en impact. En bovendien kwamen bijna alle nonconformisten na verloop van tijd ook weer in eenzelfde voorgangers/volgers-patroon terecht.

Onder de huidige situatie in veel protestants en gereformeerd kerk zijn zitten eigenlijk vier archeologische lagen:

1. Onderste laag is de directe toegang tot Gods openbaring in de Bijbel en zo tot Godzelf, de grote ontdekking en winst van de reformatie. De christen is vrij om zelf te lezen, te verstaan, na te denken, te oordelen, zijn opinie en concepten te vormen direct voor Gods aangezicht. Het Woord van God woont in de harten en levens van individuele gelovigen. Dat is een enorme omwenteling geweest, ook toen de kerkdiensten toch nog (en tot op vandaag) het patroon van aanbieder en afnemer bleven vertonen.

2. Vanaf de 17e eeuw komt daar de laag van de persoonlijke vroomheid bij: zelf je geloof beleven en daarover onderling spreken. De persoonlijke vroomheid wordt een eigen domein. Denk aan Spener, Francke en Zinzendorf in Duitsland, de Nadere Reformatie in Nederland, de Puriteinen in de Angelsaksische wereld en verderop ook het Methodisme van de 18e en het Neopiëtisme en Réveil van de 19e eeuw. Naast het lezen en verwerken van de Bijbel (steeds verder ook exegetisch en meditatief uitgebouwd) is deze gerichtheid op pietas/vroomheid de voornaamste verdere invulling van het priesterschap van de gelovigen nog tot ver in de 19e eeuw. Het heeft een brede stroom van spirituele literatuur en vormen van samenkomen buiten de kerkdienst opgeleverd.

3. + 4. In de derde en vierde laag spiegelen zich twee bewegingen die voor een deel gelijk op zijn gegaan: de activering van het ambt van alle gelovigen 1) in het meebouwen aan de gemeente (de concepten gemeenteopbouw en charismata) en 2) in het verspreiden van het evangelie (de concepten Koninkrijk van God, apostolaat en Missio Dei/missionair kerk zijn). Begonnen rond 1870 in de eerste grote mobilisaties van kerkleden/christenen voor gemeenteopbouw en evangelisatie (Wichern, Kuyper). Ze mogen zelf meebouwen aan het gemeente zijn. Met daarnaast in toenemende mate na 1945 ook een apostolaire insteek (Kraemer, Hoekendijk, Karl Barth, David Bosch), gericht op de Missio Dei, missionair getuigenis in de sterk geseculariseerde samenleving. Lijnen waarop bijv. het concept ´discipelschap´ als nieuwste trend aansluit.

Dat zijn vier bewegingen die de kerk echt verder hebben gebracht. Maar is hiermee het christelijke priestergilde (hiërateuma) waar eerst Gods knecht Mozes en vervolgens de apostel Petrus op basis van Gods eigen woorden bij de Sinaï zo hooggestemd over spraken, echt een eigen entiteit geworden in het kerk zijn? En is er een eigen ecclesiologisch verhaal over het algemeen priesterschap te vertellen dat een redelijke pendant is van de ambtentheologie?

Ik zie dat nog niet. Diverse andere auteurs trekken dezelfde conclusie.[1] Zeker, er zijn vier flinke stappen vooruit gedaan sinds de Reformatie. Maar het blijft in de praktijk onbevredigend a) dat het allemaal zo binnenkerkelijk is en b) dat het nog veel in de sfeer van inschakelen en uitbesteden blijft. De gelovige leest zelf de Schrift en ontwikkelt zijn denken daarover, maar hij mag er binnen de gemeente hoogstens in een klein groepje stem aan geven. En hij is in gemeenteopbouw en missionaire outreach actief , maar dan vooral als verlengstuk van kerkelijke verkondiging of pastoraat, om te gaan daar waar de ambtsdragers niet komen c.q. niet aan toe komen.

Opvallend is dit bijv. bij de bediening van de sacramenten en bij het doen van openbare geloofsbelijdenis. In de liturgische formulieren uit het gereformeerd kerkboek vind je over onze primaire roeping, het koninklijk priesterschap, zo goed als niets. Kijk maar eens naar bv. de doopvragen en die bij de openbare geloofsbelijdenis. En bij analyse van andere aspecten van gemeente zijn kom je tot vergelijkbare conclusies.

De institutionele en ambtelijke kant van de kerk is dus volop ontwikkeld, maar de plek en de status van het algemeen priesterschap zijn diffuus en vormen geen gelijkwaardige andere helft van het verhaal. Terwijl de gemeente er niet is voor het ambt en de genademiddelen, maar andersom ambt en genademiddelen zijn er voor de voeding en opbouw van de gemeente in haar roeping van Ex. 19 en 1 Petr. 2, gericht op de glorie van God.

Zo is er een tekort aan eigen domein, aan vrijheid en onafhankelijkheid van de gemeenteleden als priestervolk met eigen levenstaken en koninkrijkstaken die niet via het instituut kerk met haar ambten lopen. De ‘leek’ is verkerkelijkt, dat proces is nog steeds aan de gang. Natuurlijk, ook het kerkelijk participeren is een (1e) dimensie van het algemeen priesterschap. Maar het zit niet goed als dat kerkelijk leven zo groot wordt gemaakt dat (2e) de private dimensie en (3e) de seculiere dimensie van het algemeen priesterschap onderbelicht en fragmentarisch blijven.

Opvallend is dat het Tweede Vaticaans Concilie met de Constitutie over de kerk Lumen Gentium (1964) hier de kerken van de Reformatie rechts heeft ingehaald, althans qua visie en theologische verwoording. Uitgangspunt is in LG (30) de eenheid van ambtsdragers en ‘leken’ daarin dat ze allemaal gelijkelijk tot het ene Volk van God behoren en dat het brengen van het heil van God in deze wereld, een taak van dat hele volk is. Terminologisch worden ze (37) van elkaar onderscheiden als algemeen priesterschap en ambtelijk of hiërarchisch priesterschap. En die worden in LG ingevuld als twee circuits met een substantiële eigenheid ten opzichte van elkaar. Ik kom daar straks op terug.

Hoe kunnen we in een calvinistisch-gereformeerde setting onze winst doen met alle denkwerk over het priesterschap van alle gelovigen? Naar mijn overtuiging is het nodig om positief- kritisch mee te gaan in een kanteling in het gemeente zijn die al een tijdje aan de gang is. Jongere christenen laten zich niet meer leiden door instituut en ambt en leven niet meer vooral binnenkerkelijk, maar uitdrukkelijk ook eerst in hun private en hun seculiere wereld, d.w.z. in hun eigen lijf op hun eigen stukje grond, in hun huwelijk, hun gezin en de opvoeding, op hun werk en in hun loopbaan, in buurt en vriendenkring, in sport en hobby, in hun sociale en economische relaties. Bij de kanteling die gaande is, roept men soms dat er geen kerkbesef meer is en te weinig kerkelijk meeleven. Maar m.i. dient die kanteling andersom het besef wakker te roepen dat het eigen priesterschap van elke gelovige in het private en seculiere christenleven veel explicieter en substantiëler toegepaste aandacht in ons kerk-zijn verdienen.

Daarbij zal het helpen om – wat meer uitgewerkt - naar de andere zwakke plek kijken.

De andere zwakke plek

Die zit volgens mij hier, dat er in de praktijk van het gemeente zijn een onbalans is tussen het sacrale en het seculiere. Wie priester zegt, roept de sfeer op van de tempel, van het heilige der heiligen, van de directe nabijheid van God. Maar de Bijbel leert tegelijk de latreia en leitourgia (Rom. 12) voor God in het gewone leven. Zie het vervolg van 1 Petr. 2: 9,10: de overheid, het huwelijk, de arbeidsverhoudingen, en noem maar op. Priesters in de tempel èn priesters in de klei – dat is de combinatie en die is dóór en door zó als onze God is. Bewijstekst: Psalm 65. God is geen dualist en Hij wil het ons ook niet laten zijn. Ook de potten en de pannen zijn heilig (Zach. 14). Alles wat God geschapen heeft is goed en niets daarvan is verwerpelijk, want het wordt geheiligd door het Woord van God en door gebed (1 Tim. 4).

Naar mijn waarneming staat de doorsnee kerk toch vooral voor het sacrale en veel minder voor het seculiere. Hoeveel spiegelen de zondagse samenkomsten van de gemeente het echte seculiere leven, het economische, politieke, technische, de huizenmarkt, de struggle in huwelijk en gezin en noem maar op? Interessant, dat grotendeels particulier georganiseerde fenomenen als marriage courses, Eva-ochtenden, Athletes in action, de 4e Musketier e.d. die seculiere kant lijken op te pakken als complementaire para-gemeentelijke bewegingen. Prima ook, laat het allemaal maar gebeuren. Christenen-kerkleden hebben een grote vrijheid om ook zelf van alles te organiseren. Zo staat het zelfs in de rooms-katholieke Codex en in Lumen Gentium.

Maar intussen mogen gereformeerde kerken zich wel afvragen: wat gebeurt hier? In het spoor van piëtisme en methodisme (en daarachter de Reformatie en de Middeleeuwen) hebben we op de achtergrond te maken met een onbalans van soteriologie en pneumatologie, of misschien beter: rechtvaardiging en heiliging. De communicatie in de gemeente (formulieren, preken) is sterk gericht op de soteriologie, op de rechtvaardiging, op het kind van God zijn dankzij de Here Jezus, op de redding van de zonden door zijn offer aan het kruis, op de bemoedigende verzekering dat God je God wil zijn en dat hij in zijn voorzienigheid voor je zorgt. Vooral de persoonlijke redding en veiligheid zijn in beeld, veel minder de vernieuwing, de verering van God, het articuleren van het goede leven in zijn dienst en tot zijn glorie.

In de kerkelijke communicatie komt een systematische en enigszins ‘dekkende’ verkondiging over de verschillende levensterreinen, de 10 woorden van de dekaloog en de christelijke deugden veel minder voor dan een bespreking van een selectie van heilshistorische feiten en een aantal leer-thema’s. Meer doctrina dan vita, meer woorden dan daden, meer toegepaste dogmatiek dan toegepaste spiritualiteit en dito ethiek, die accentuering hangt hier mee samen, denk ik.

De Amerikaanse missionair theoloog Darrell Guder doet (2000) dezelfde waarneming en wijdt vele bladzijden aan deze reductie van de bijbelse boodschap. En eerder kwam ik die lacune al tegen bij de voorstudie voor mijn boekje Gemeenteopbouw 2 in 1992. De levenswijding, de leitourgia, de latreia, de dagelijkse dienst aan God en mensen heb ik daar benoemd als een van de zes kern-domeinen in het gemeente zijn. In andere GO-concepten heeft die levenswijding zo’n essentiële plek niet.

Interessant, Abram Kuyper is hier een relevante auteur. In de eerste zinnen van zijn trilogie Pro Rege[2] stelt hij dat het nodig is om de scheiding tussen het leven in de kerk en buiten de kerk “op te heffen” (!). En Kuyper heeft daar niet alleen in Pro Rege, maar ook op allerlei andere momenten werk van gemaakt. Bij hem is er een sterk bewustzijn dat je zoiets als een onderscheid tussen kerk als instituut en kerk als organisme nodig hebt. Heb je dat niet, dan reduceert het algemeen priesterschap tot een aantal losse lapjes die om het verder strak geweven kleed van het instituut heen liggen, meer niet.

Boeiend om dan opnieuw eens naar het Tweede Vaticaans Concilie te luisteren. Lumen gentium heeft niet alleen clerus en volk in een relatie tot elkaar gezet die aan de eigenheid van het algemeen priesterschap meer recht doet. Maar die eigenheid wordt daar ook verder ingevuld met behulp van het begrip ‘het seculiere leven’.

Aan de leken is (LG 30-31) een seculiere karaktertrek eigen. Niet alleen in de kerk, maar ook in de wereld hebben ze een taak. Hun eigen roeping ligt in het seculiere: de tijdelijke aangelegenheden behartigen op een manier zoals God die wil. Als zuurdeeg dragen zij a.h.w. van binnenuit bij aan de heiliging van de wereld, doordat ze die doorlichten en ordenen.

Doorlichten betekent hier: dat de gelovige zo leeft en werkt dat de dingen van deze wereld  helemaal blijven wat ze zijn, echt aards, echt menselijk, creatuurlijk, concreet, maar tegelijk worden doortrokken van een glans van genade, van liefdevolle toewijding, van betrokkenheid op God, van verwijzing naar God, van zingeving en vertrouwen dat al ons leven en werken niet tevergeefs is.

Ordenen betekent: de dingen zetten in de grote verbanden waarin ze thuishoren: de relatie met God en de relatie met de naaste. Tegen de chaotiserende en fragmentariserende krachten, waarbij een mens niet goed meer ziet waar de dingen vandaan komen en waar ze heengaan. En ook: alle stukken seculier leven en werken laten kloppen met Gods goede geboden, met de deugden waartoe Hij ons oproept en de doelen die Hij aan het leven heeft gesteld. Want wat de ziel is in het lichaam, dat moeten christenen zijn in de wereld (Brief aan Diognetus).

Het seculiere leven is dus niet aan machten buiten God overgegeven, maar bestemd om door de mensen te worden ingekaderd als offermateriaal in de dienst aan de drie-ene God. In mijn woorden:  laat er in je dagelijks leven overal bloemen zijn die voor Hem bloeien, klokken die voor Hem luiden. (tot zover par. 30-31)

Dit wordt in LG uiteengelegd in de priesterlijke (34), de profetische (35) en de koninklijke (36) dienst van de leken in goede werken, gebeden, apostolisch optreden, huwelijks- en gezinsleven, dagelijkse arbeid, in het economische, politieke en sociale leven, in de ontspanning van lichaam en geest, in alle vormen van lijden ook. Dat alles bieden ze vervolgens in de eucharistie door de Heilige Geest als geestelijke offers aan de Vader aan en daarmee dus het seculiere leven en de mensenwereld. Consecratio mundi, heiliging van de wereld.

Het zal waar zijn dat de idee van verdienstelijke goede werken hier meeklinkt. En ook dat  in de realiteit van de RKK het mooie concept van gemeenschappelijk priesterschap en consecratio mundi geen vernieuwing van de kerk teweeg bracht en brengt, omdat het clericale en sacramentele denken de uitwerking ervan frustreren. Paus Franciscus moet zich daar verder maar mee redden. Maar voor de gereformeerde traditie worden hier ons een paar passende denklijnen aangereikt die kunnen helpen in een positieve bezinning op de kanteling naar het niet-institutionele en naar de nadruk op het seculiere leven die zich in onze kerken bezig is te voltrekken. Toewijding van heel het leven in al zijn onderdelen aan de goede God. En dat niet als goed werk in eigen kracht, maar voor 100% alles puttend uit Christus en bouwend op Hem als Hoeksteen.

Nieuwe dynamiek

Dan nu de ‘uitnodiging tot een nieuwe dynamiek’.  Met nieuw bedoel ik niet dat het pas hier en nu begint. Het gaat om een oude, liefdevolle uitspraak van God uit Ex. 19 en 1 Petr. 2 die telkens nieuwe kracht heeft om ons uit onze gegroeide patronen en theologische lacunes te halen. ‘U zult voor mij een koninklijk priestervolk zijn’, dat is al heel vroeg opgetekend en door de eeuwen heen meegegaan. Het is nog steeds een verfrissende en stimulerende belofte èn uitdaging. Het zet de gemeente in haar kracht als een nieuw uniek volk van priesters en priesteressen, mensen met een koninklijk hart en een profetische geest. Die dat met hoofd en hart en handen in praktijk brengen. En voor wie dat geen job is, maar hun leven, hun identiteit.

Tegen de achtergrond van het voorgaande zijn voor een nieuwe dynamiek verschillende  dingen nodig. Ik noem er zes.

1. Reframing van onze visie op kerk zijn, door de kerk niet in één dimensie (ambt, instituut, kerkdienst) vooral te denken, maar in drie: kerkelijk leven, persoonlijk leven, leven in de wereld. En door elk van die drie dimensies een eigen onder de Heer Christus functionerend domein te laten zijn, in verbinding en wisselwerking met elkaar. Vervolgens is er dan verbreding en winst te behalen voor onze theologie die hopelijk niet alleen bij jongere generaties aansluit, maar alle generaties in de kerk aan elkaar verbindt in het ene door Godzelf ons toegekende onvervreemdbare priesterschap.

2. Seculier leven zien en beleven als in alle onderdelen een aan God gewijd leven. Reductie van de kerkelijke boodschap tot vooral het bovenaardse, de geloofsleer, de thema’s van verzoening en voorzienigheid en onze beleving daarvan kan leiden tot ongewild docetisme (het aardse telt niet echt) en gnostiek (onze band met God is vooral een cognitieve band verpakt in een wolk van woorden). Wanneer we aan en over het seculiere leven weinig boodschap hebben, zal zich dat wreken in een twee-werelden-systeem, misschien wel de grootste valkuil voor de christenheid.

3. Coöperatie van bijzonder ambt en algemeen priesterschap om een attitude te ontwikkelen die niet concurrerend, maar complementair is. Waarbij we geen dilemmatiek en spanningen creëren tussen het sacrale en het seculiere, rechtvaardiging en heiliging, collectief en individueel, gangbare gemeente-cultuur en doorgaande innovatie. Maar waar we denken in tweetakt: het ene steeds in correlatie met het andere. Waar de kerkleden graag de voorgangers in hun kracht zetten voor verkondiging, onderricht en pastoraat. En waar de voorgangers de christenen in hun kracht willen zetten voor hun persoonlijke omgang met God en hun deugdzaam leven, thuis en in de brede wereld. Waar ze niet met hún taken en documenten over alle kerkleden heen gaan hangen om ze er bij in te schakelen, maar juist de gelovigen stimuleren en voeden om hun eigen job te doen, hun eigen priesterschap te vervullen. Dat zal de organisatie ook sterk vereenvoudigen! En in het verlengde hiervan ligt dan een TU met diezelfde brede blik: goede predikanten voor de kerk opleiden, maar tegelijk ook denkwerk leveren voor Gods boeiende priestervolk dat in de wereld aan de slag is.

4. Diaspora en ekklèsia: gelovigen staan rechtstreeks onder God. Ze hebben een volmacht op basis van hun eigen roeping. Met als kern: roepingsbesef, gewilligheid, gehoorzaamheid. Die levenswijding is niet een toegift bij het kerk-zijn. Het christelijk leven van maandag tot en met zaterdag in onze huizen, op de werkvloeren, in de scholen is geen geprivatiseerd en willekeurig aanhangsel bij de viering van de zondag, maar het is zelf volop kerk van Christus zijn, niet privé-leven, maar kerkelijk leven. Als de kerkdienst het hart is, dan is het christelijk leven daaromheen de body. Wat wil een hart nu anders dan zorgen dat het hele lijf leeft, echt leeft?! In de gemeente is daarom een dynamiek onmisbaar van Sammlung en Sendung, van ekklèsia naar diaspora en weer terug. Ga-structuren en kom-structuren. Hoe dieper in het heiligdom, des te verder in de wereld. De kerk is niet alleen als cultusgemeenschap, maar ook als koninkrijksgemeenschap bedoeld. De gemeente van Christus als bruggenhoofd naar, als begin, voorproef, belofte van de nieuwe wereld van God.  En dat zonder hybris, zonder hoogmoed, maar in alle bescheidenheid. Niet voor niets zijn de bijbelse beelden hier de stille beelden van zout en gist en licht. Die maken geen van drieën lawaai. Het gaat om zijn, om leven, niet om druk doen en veel praten.

5. Structuur: dat het algemeen priesterschap blijft ‘hangen’ komt voor een deel doordat het nauwelijks enige structurering kent. Daarom is het goed om hier (interlokaal en oecumenisch) te werken met ordoïde elementen zoals er altijd al wel hier en daar geweest zijn. Dus Eva-allianties, een Bijbelstudiebond, regionale fellowships van christelijke businessmen, gespreksgroepen van ‘christenen in de zorg’, pelgrimsgroepen, weekends voor beoefening van de lectio divina enzovoorts. Een mooie invulling van het Nazireeërschap (Num. 6) met vrijwillige geloften en extra committment. Die vorm van de zgn. ‘orde’ (aparte units naast het gewone gemeente zijn) is een welkome aanvulling op ons lokaal kerk zijn en verdient vanuit de ‘ambtelijke kerk’ stimulans en begunstiging.

6. Goede voorbeelden ontwikkelen is dan de kunst. Woorden, artikelen en boeken zijn er al genoeg. Nu komt het op het werkelijke leven aan, het gericht instructie krijgen en inoefenen van de dingen. Bv. voor het bidden aan tafel, het voeren van een eerlijk gesprek als man en vrouw, het aanleren van liefde en trouw bij je kinderen, het zomaar verbinden van Gods naam aan een mooie vlinder of een knap stukje technologie, het inbrengen van goddelijke wijsheid in een gesprekje met een collega over z’n privéleven. Al die kleine dingen die te vaak onder de radar blijven, maar waar het echte leven van mensen zich afspeelt. Gemeenten die proeftuin hiervoor willen zijn kunnen zich melden!

Tenslotte. Klassieke patronen en nieuwe impulsen zijn beide uit Gods hand. We mogen in beide het dankoffer van ons leven voor God brengen. Ps. 66: ‘Ik kom met gaven in mijn handen, zie tot uw tempel treedt uw knecht’. Consecratio mundi, door het crisis-brengende kruis van Chrisus heen, toewijding van de dingen van deze wereld aan God. Alle componenten en thema’s van onze eigen leefwereld oppakken en bij God brengen en aan hem aanbieden, hem vragen ze te reinigen en zijn zegen er over afbidden. Bij alle Woord-dienst komt de Offer-dienst van ons leven. Ps. 40: ‘Zie, hier ben ik om uw wil te doen, o God.’ Centrum van de kerk is dan het avondmaal, de plek waar we Christus omhelzen en ons leven opnieuw helemaal aan God toewijden en onszelf offerend weggeven aan onze Verlosser. Zijn zoenoffer beantwoorden met ons dankoffer. Niets in eigen kracht. Maar bouwend op de Hoeksteen. En puttend uit de Bron.

Laat het dan maar kantelen. De Heer regeert. De kerk is van Hem. En zijn Koninkrijk staat  vast.


[1] H. Kraemer, C. Eastwood, H.M. Barth, R.P. Stevens.

[2] 1912, dl. I, blz.V.



TU Kampen meer nieuws