In memoriam door: Ad de Bruijne

Het was toch nog een schok. Ik wist dat hij Corona had. Zijn vrouw, Jo, had me verteld dat hij het volgens de dokter niet zou overleven. Maar toen hij na drie dagen stierf, schrok ik alsnog. Jochem Douma is meer dan mijn voorganger op de leerstoel ethiek. Hij was één van de belangrijkste mensen in mijn leven. Het grijpt me aan dat hij niet meer onder ons is. In deze bijdrage gedenk ik hem.

Hoogleraar in Kampen

Ik begin bij Douma als hoogleraar van onze Theologische Universiteit. Zoals van meer huidige collega’s was hij ooit ook mijn leermeester. Ik herinner mij hem als een goede docent, vooral door zijn helderheid en vakkennis. Tegelijk lag zijn hart minder bij het lesgeven dan bij studeren en schrijven. Colleges werden nogal eens afgezegd omdat belangrijker zaken aandacht vroegen. En toen ik aantrad als zijn opvolger bleek hij het aantal uren voor ethiek aardig te hebben teruggeschroefd. Tegelijk was hij didactisch zijn tijd vooruit. Hij stelde in Kampen het fenomeen ‘blokweek’ in en schakelde zo studenten zelf in bij onderwijs én onderzoek. Tijdens zo’n blokweek werkte hij keihard. Met behulp van wat we als studenten persoonlijk en in werkgroepjes op tafel legden, schreef hij dan een concept-hoofdstuk voor een publicatie of zelfs een hele publicatie. Aan het eind van de week was het klaar en legde hij het aan ons voor.

Legendarisch waren mondelinge tentamens bij Douma. Ze duurden vaak hoogstens een kwartiertje, waarbij hij met z’n pen in z’n oor peuterend de indruk wekte aan iets anders te denken. Je vertelde elkaar vooraf wat hij ging vragen en slaagde vrijwel altijd. Ook tijdens vergaderingen dacht je vaak dat hij er niet helemaal bij was. Maar zodra het er dan op aankwam, bleek hij toch alles te hebben gehoord. Helder en gedecideerd kon hij dan ineens met grote kracht uit de hoek komen en de richting van de vergadering bijsturen en bepalen. Daar lag ook wel een van de zwakkere kanten, die Douma natuurlijk ook had en die ik verder in deze bijdrage niet breed ga uitmeten. Hij leek tijdens een gesprek soms niet zo geïnteresseerd en meer bezig met zichzelf en zijn eigen gedachten. Zeker wanneer er iets persoonlijk of ingrijpends werd uitgewisseld, kon dat ook pijnlijk zijn.

In zijn bijna 30 jarige actieve loopbaan als hoogleraar heeft hij de koers van de universiteit mee gestempeld. Daarbij publiceerde hij veel, een onafgebroken stroom van artikelen via dag- en weekblad en later website. En een lange rij boeken, veel ervan zouden wij nu vakpublicatie noemen maar ze hadden de grondigheid van wetenschappelijke output. Ook onder zijn vakgenoten in Nederland was Douma bekend en gerespecteerd, al was het nog niet de tijd dat kamper docenten gewoon meedraaiden in bredere verbanden. Maar bijvoorbeeld Harry Kuitert, met wie Douma vaak de degens kruiste, waardeerde hem en vroeg hem in de beoordelingscommissie voor één van zijn promovendi, iets wat kamper docenten destijds verder vrijwel nooit overkwam.

Na zijn emeritaat bekoelde de relatie tussen Douma en de Theologische Universiteit een periode. Hij voelde zich verantwoordelijk en vond het moeilijk om niet meer mee de koers te bepalen. Vooral omdat hij steeds meer bezwaren tegen die koers kreeg. Met name de plaats van en de visie op de Bijbel bij sommigen vormden zorgpunten. Er zijn daarover stevige gesprekken geweest tussen hem en de leiding van de universiteit en een tijdlang wilde hij het pand aan de Broederweg zelfs niet meer betreden. De laatste jaren zijn de verhoudingen gelukkig hersteld, wat gemarkeerd werd door het symposium dat de TU hem in 2017 aanbood bij de afronding van zijn psalmencommentaar. In juni 2019 zou hij zelfs nog deelnemen aan de oppositie bij de promotie van Marinus de Jong. Helaas moest hij afzeggen omdat hij plotseling ernstig ziek werd.

Koersbepalende voorganger

Jochem Douma was zonder twijfel de belangrijkste theoloog in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) sinds Klaas Schilder. Zijn invloed was ook buiten eigen kring groot en reikte tot over de grenzen. Behalve in zijn uitzonderlijke begaafdheid en werkkracht lagen de wortels daarvan al in zijn studietijd. Afkomstig uit een degelijke vrijgemaakte familie, studeerde hij niet alleen in Kampen, maar ook aan de (gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam. Daar ging zijn horizon verder open dan in vrijgemaakte kring veelal gebruikelijk en leerde hij bovendien zijn eigen overtuigingen respectvol in gesprek te brengen met anderen. In zijn publicaties valt op hoe fair en royaal hij mensen weergeeft met wie hij het niet eens is. Ook ontwikkelde hij een oecumenische attitude die hem eigen zou blijven. Uit zijn studententijd stamt ook zijn aandacht voor de relatie met Christus. Die was warm en innig, al moest je daarvoor wel achter zijn nuchtere buitenkant kijken. Niet voor niets was Douma in 1979 (bij een vrijmakingsherdenking) één van de eersten die het spirituele tekort in vrijgemaakte kring benoemde en bepleitte hij in 1980 met een beroep Voetius’ ascetiek meer theologische en kerkelijke aandacht voor spiritualiteit.

Douma’s druk bediscussieerde proefschrift eind jaren ’60 luidde achteraf bezien een wending in. Met zijn pleidooi om onbekommerd Gods algemene genade te honoreren, nam hij als een van de eersten afstand van Klaas Schilder. Meer dan gebruikelijk waardeerde hij het goede buiten de kerk, wat hem tot een minder eenzijdig antithetische opstelling bracht. In lijn daarmee onderscheidde hij later tussen ‘algemene’ en ‘christelijke’ argumenten, onder meer om waar mogelijk (bijvoorbeeld rond abortus) samen op te trekken met niet-christenen. Douma beriep zich vooral op Calvijn maar eigenlijk keerde hij hiermee terug naar Abraham Kuyper. Dat bleek toen zijn aanvankelijke aan Calvijn ontleende nadruk op vreemdelingschap en de daarmee verbonden kritiek op de gereformeerde voorliefde voor de cultuuropdracht langzaam toch verschoof. Zijn theologie en optreden ademen uiteindelijk vooral een kuyperiaanse openheid voor de werkelijkheid en voor het dragen van aardse verantwoordelijkheid. Al als zijn student-assistent heb ik daarover met hem gesproken en als zijn collega later opnieuw. Hij herkende deze verschuiving zelf ook. Zijn waardering voor Kuyper was dan ook groot, anders dan bij de meeste vrijgemaakte theologen. Zelfs zijn schrijfstijl had iets van Kuyper. Elke zin ontwikkelde zich in een natuurlijk ritme, transparant en ook voor eenvoudige lezers te volgen. Wel schreef Kuyper beeldender en warmer, terwijl Douma’s stijl altijd wat zakelijk en koel bleef. Met deze accenten heeft Douma de koers van de vrijgemaakte kerken bijgesteld. Op den duur keerden deze terug naar een opener houding ten opzichte van de cultuur, mét het risico van secularisatie dat daarmee al sinds Kuyper gegeven was. Ook keerden de vrijgemaakten via Douma weer terug naar Kuypers leer van de pluriformiteit van de kerk. Hij ging ze sinds de jaren ’70 al voor in het afzweren van de gedachte dat er maar één ware kerk bestond en opende de weg naar onbekommerde interkerkelijke samenwerking, bijvoorbeeld in de politiek en binnen de EO.

Deze en vergelijkbare andere accenten (onder meer over de gelijkheid van man en vrouw) werden hem door velen niet in dank afgenomen. Aan zijn kerkelijke betrouwbaarheid werd openlijk getwijfeld. Zowel in de pers als achter de schermen raakte Douma verwikkeld in soms felle polemieken en conflicten. Eén daarvan – binnen de redactie van De Reformatie – heb ik persoonlijk meegemaakt. Ik herinner mij de besloten vergadering begin jaren ’80 waar zijn tegenstanders binnen de redactie erin slaagden hem via een ingenieus compromis op een zijspoor te rangeren. Hoewel Douma veel aankon en al gauw in het Nederlands Dagblad een nieuw podium vond, heeft dat hem zeker geraakt. Ik zie hem na afloop nog weglopen uit de kamper senaatskamer.

Meer dan ethicus

Douma schreef een grote reeks boeken en artikelen over vrijwel alle ethische onderwerpen. Nog altijd vind ik het meeste daarvan zeer bruikbaar en overtuigend. De twee thema’s die hij na zijn aantreden als eerste aanvatte, zijn veelzeggend: abortus en homofilie. Met het onderwerp abortus positioneerde hij zich direct als publiek-theoloog aan het front van een van de thema’s die in de samenleving van toen urgent waren. Ook door zijn jarenlange voorzitterschap van de VBOK werd Douma een sleutelfiguur in de strijd voor het ongeboren leven én in de zorg voor ongewenst zwangere vrouwen. En zijn keus voor het onderwerp homofilie was baanbrekend voor orthodox-christelijk Nederland. Hij was één van de eerste theologen uit die kring die werkelijk oog had voor de vragen en de nood van christenhomo’s. Ik ken meerdere homo’s uit die tijd die dankzij Douma bewaard zijn voor geloof en kerk én voor de wanhoop die hen soms overviel. Zijn onderscheid tussen geaardheid en praxis stuit vandaag vaak op onbegrip maar was in die tijd bevrijdend omdat hij mensen hielp voor Gods ogen zichzelf te aanvaarden zoals ze zijn. En hij schreef er niet alleen over. Met velen had hij ook persoonlijk contact. Later, toen de panelen op dit punt al begonnen te verschuiven, sprak Douma eens voor de vrijgemaakte vereniging van homo’s en lesbiennes. Meerderen van hen waren lid van mijn toenmalige gemeente. Ze vertelden me hoe Douma diep bewogen had gezegd: ‘mensen, ik zou jullie ook zo graag een relatie gunnen en ik weet ook niet waarom het niet mag, maar de Bijbel zegt het en wij moeten voor Gods woord buigen’. Ook zij die het niet meer met hem eens waren, waren onder de indruk. Ze bleven hem waarderen in deze merkbare bewogenheid en werden aan het denken gezet door zijn houding van gehoorzaamheid. Even heeft Douma in een boek uit 2001 ruimte bepleit voor homorelaties op voorwaarde van seksuele onthouding maar daarvan kwam hij later terug. En toen ik zelf die positie ging bepleiten en het daarbij afwees om tucht te oefenen over homo’s die wel een seksuele relatie aangingen, bestreed hij mij publiek. Een paar jaar geleden verdedigde ik mijn visie tegenover hem op zijn studeerkamer en daarbij verwees ik naar allerlei praktijksituaties. Hij zweeg lang, keek mij indringend aan en zei: Ik begrijp heel goed wat jij bedoelt maar je moet het niet opschrijven als algemene richtlijn. In hem huisde nog steeds diezelfde bewogenheid.

Rond meerdere ethische onderwerpen nam Douma een opvallend vooruitstrevende positie in. Zo gaf hij veel meer ruimte aan IVF dan andere orthodoxe ethici. Ook had hij geen bezwaar tegen geslacht veranderende operaties bij transseksualiteit. Tegelijk was Douma meer dan een ethicus. Hij verraste soms met diepgravende artikelen over andere thema’s, zoals de problematiek van het lijden. En na zijn actieve loopbaan concentreerde hij zich op Bijbelstudie. Met Adrian Verbree organiseerde hij massaal bezochte regionale studieavonden waar de hele Bijbel behandeld werd. Het mondde uit in een nieuwe serie boeken van zijn hand. En vervolgens begon hij het project waar hij naar eigen zeggen langer aan gewerkt heeft dan aan elk ander onderwerp: een vierdelig commentaar op de Psalmen. Het was hem gegeven om daarna op 87-jare leeftijd ook nog zijn memoires te publiceren.

Minder overtuigend in die memoires is dat hij soms teveel bezig lijkt zijn keuzen uit het verleden te rechtvaardigen. Ik denk dat ook zijn leeftijd daarin een rol speelt. Want zoals al bleek, Douma kon juist altijd goed kritisch terugkijken op zijn eigen handelen en daarvan zo nodig terugkomen. Ongeveer als eerste leidinggevende vrijgemaakte kwam hij terug van de gebruikelijke steun voor de Zuid-Afrikaanse apartheid. En toen hij zich verdiepte in het onderwerp kenbewapening neigde hij aanvankelijk tot atoompacifisme maar liet zich vervolgens bijsturen in de kamper senaat. Indrukwekkend was begin deze eeuw zijn erkenning van schuld over zijn aandeel in de kerkscheuring van de jaren ’60. Hij vroeg de synode hetzelfde te doen maar was (opnieuw) voor de muziek uit. Het duurde nog jaren voor de kerken als geheel hem daarin zouden volgen. Helaas was Douma toen zelf al geen lid meer van de vrijgemaakte kerken.

De laatste jaren

Pijnlijk was het dat Douma met zijn oecumenische hart de vrijgemaakte kerken verliet. Zijn verontrusting over de koers van die kerken groeide. Op zijn website stelde hij aan de kaak waar volgens hem principiële wissels omgingen. En toen de synode de deur naar vrouwelijke ambtsdragers niet duidelijk sloot, trok hij de conclusie dat hij moest gaan. Het heeft ook mijzelf pijn gedaan, zeker omdat ik zelf als nota bene zijn opvolger, ook voorwerp van zijn verontrusting was. Hij heeft mij lang ontzien in zijn kritiek, en me zelfs verdedigd toen anderen al over me heen vielen. Maar eind 2017 bestreed hij mij toch publiek en scherp, zoals ik hem in 2014 vanuit Amerika ook scherp had voorgehouden dat hij de kerk niet mocht verlaten. Gelukkig hebben onze persoonlijke vriendschappelijke verhoudingen daaronder nooit geleden. Jochem Douma was al belangrijk voor me toen ik als puber aanliep tegen visies in de kerk waarmee ik niet uit de voeten kon. Ik las thuis De Reformatie en ervoer Douma’s artikelen als frisse wind in een bedompte atmosfeer en als nieuw elan waardoor je toch warm kon lopen voor de kerk. Ook als zijn student-assistent ben ik door hem gevormd, onder andere in de vele gesprekken die heen en weer gingen tussen onze beide bureaus, elk aan een uiteinde van zijn lange studeerkamer. Als dominee heb ik hem regelmatig gebeld, ook om advies in ethische kwesties. Met de bijzondere intuïtie die hem eigen was en die Paulus in Filippenzen 1 typeert als ‘helder inzicht en fijngevoeligheid’ wees hij je dan een weg. Als zijn opvolger en collega heb ik hem regelmatig mogen bezoeken, ook in de jaren dat onze kerkelijke wegen scheidden. Hij liet zich niet alleen in zijn kracht maar ook in zijn zwakheid aan mij zien. We hebben op zulke momenten ook samen gebeden. Dat alles bleek sterker dan de kerkelijke en theologische afstand die leek te ontstaan.

Dus raakt zijn sterven mij diep. In de afgelopen weken kon een laatste bezoek aan hem tot drie keer toe niet doorgaan vanwege Corona: een test met quarantaine van mij, een medebewoner van hem en uiteindelijk hijzelf al op weg naar de dood. Maar over al deze grenzen heen, tussen kerken en tussen dood en leven, blijf ik me met hem verbonden voelen. In zijn commentaar bij psalm 148 schrijft hij: Het is wonderbaarlijk, dat de christelijke gemeenten op aarde – kennelijk ondanks hun verdeeldheid – de veelkleurige wijsheid van God voor alle bovenaardse machten mogen weerspiegelen (Ef. 3,10). Op dit moment deelt Jochem Douma – leermeester, geestelijke vader en vriend in Christus – in de veelkleurige hemelse liturgie waarin pijnlijke aardse kerkgrenzen geen enkele rol meer spelen. Naar die toekomst hopen we hem ooit te volgen.